Bernink.Klaas Bernink.1913-1996.Boerderij in Schoorl 1979.Gereserveerd. - Collectie Streefoord

Bernink.Klaas Bernink.1913-1996.Boerderij in Schoorl 1979.Gereserveerd.

'Ongeveer duizend schilderijen en tekeningen van -hoofdzakelijk Twentse- landschappen, industrie, stadshuizen en boerderijen heeft hij gemaakt. Hij deed dat in de tweede helft van zijn leven, nadat hij eerst 25 jaar als textielarbeider gewerkt had. Veel particulieren kochten werk van hem. De stichting Kunstcollectie Haaksbergen beheert een representatieve selectie uit het oeuvre, terwijl de gemeente Enschede ook een aanzienlijk aantal schilderijen van Klaas Bernink bezit. De ouders van de in 1913 in Glanerbrug geboren Klaas Bernink waren afkomstig uit de omgeving van Gramsbergen. Zij maakten deel uit van de grote groep werkzoekenden die afkwamen op de booming textielindustrie in het destijds zo nijvere Twente. Na de lagere school maakte Klaas, die de oudste van zes kinderen was, twee jaar vol als loopjongen om op de wettelijk toegestane leeftijd van 14 jaar de fabriek in te gaan. Ruim vijfentwintig jaar later is hij ervaren sterker (de man tussen spinnerij en weverij, die de draden moet sterken in een lijmbad) bij Ramie Union. Hij ervaart het fabriekswerk en de sociale omgeving als geestdodend, maar bibliotheek, harmonie en zijn tekenspullen houden hem op de been. Als hij hoort dat de kersverse academie voor beeldende kunsten AKI ook een opleiding voor deeltijdstudie aanbiedt, is hij er als de kippen bij. Er gaat een wereld voor hem open. Behalve de vaklessen zijn er de cultuurhistorische beschouwingen van Aldo van Eyck en Joop Hardy. Bernink begint aan een ware inhaalslag. In 1954 krijgt hij de vererende uitnodiging lid te worden van de Twentse kunstkring en deel te nemen aan een expositie in Rijksmuseum Twenthe. Daarna volgen meer tentoonstellingen. Rond 1960 draait hij volop mee in de kleine groep kunstenaars die zich op moderne, en in veel gevallen abstracte, kunst richt. Fabrieksterreinen zijn een belangrijke bron van inspiratie voor hem. Zijn eigen ervaring telt, maar als hij in 1963 een zwerftocht door het Ruhrgebied maakt, verhevigt dat zijn interesse. Hij stileert en abstraheert en komt op een gegeven moment uit op een abstract-geometrische vormtaal, een stijl die hem later bij het maken van wandschilderingen in allerlei scholen in Enschede goed van pas zal komen. Toch kan hij zich niet vinden in de totale abstractie. Een volgend thema dient zich aan. Als hij in de vroege ochtenduren naar de fabriek fietst, ziet hij de eenzame schuurtjes in de weilanden, de onopvallende gebouwtjes aan de rand de stad. Hij schildert ze, op bescheiden formaten met polymer- of acrylverf. Strakgeschilderde vlakken gescheiden door een zwarte contour in ongewone kleurstellingen. In 1965 is hij zo ver dat hij de fabriek kan verruilen voor het professioneel kunstenaarschap. Hij wordt toegelaten tot de Beeldend Kunstenaars Regeling. Zijn schilderijen van karakteristieke soms met sloop bedreigde- gevels van huizen in de stad doen het goed. Men herkent er kennelijk de stille poezie van het alledaagse in. Bernink opent de ogen van zijn omgeving voor wat later stadsbehoud en gemeentelijk monumentenbeleid zal heten. Intussen is het reizen binnen zijn bereik gekomen. De man die, afgezien dan van het Duitse grensgebied, in 1958 voor het eerst een buitenlandse reis (Parijs) maakte, en 10 jaar later samen met zijn zoon een autotocht van twee weken via de Alpen naar de Middellandse Zee en terug voortzette, zit rond 1970 om de haverklap op de Balkan. Hij heeft zoveel in te halen! De indrukken daar, het communisme aan de ene kant, de landelijke samenleving anderzijds, beinvloeden hem sterk. In de jaren tachtig zal hij steeds vaker het landschap met daarin de boerderijen kiezen, niet alleen van Twente, ook andere streken kunnen op zijn aandacht rekenen. In Twente kent men die schilderijen, waarvan er een aantal als zeefdruk verschenen, maar al te goed. Een weg of beek die richting horizon kronkelt, een aantal kale bomen, en in het glooiende land de boerderijen onder hun grote beschermende daken. Liefst in de sneeuw. Geen schilder had zoveel witten en grijzen op zijn palet als Klaas Bernink. De rechte hoeken uit zijn abstract-geometrische tijd zijn verdwenen. Lijnen mogen een gebogen verloop hebben. Maar er blijft sprake van een verregaande vereenvoudiging van de vorm. Hij kreeg wel eens het etiket naief opgeplakt, ook spreekt men wel van kleurboekstijl. Voor Bernink echter is zijn kenmerkende stijl de artistieke resultante van zijn reis langs de kunst en cultuur van Europa. Klaas ziet het landschap als de samenballing van eeuwenlange bewoning. Hoewel hij doorgaans geen mensen afbeeldt, zijn de generaties die ons voorgingen manifest aanwezig in de bebouwing. In de laatste jaren van zijn leven keert hij terug naar de onderwerpen uit de beginjaren. Hij schildert opnieuw de industrie. Nu echter zonder de frustraties die het thema vroeger bij hem wekten, maar met de blik en de wijsheid van de vijenzeventigjarige, die hij inmiddels is. De industrie vormt evenals de boerderijen, de watermolens, de steden, de huizen en het landschap een fase in het grote verhaal van de beschaving van Europa'. P. Breitbarth.Olieverf op doek.Gesigneerd Kl. Bernink 1979.Afmetingen inclusief lijst:50 x 40 cm.

« Terug